hero

Verwondering in de architectuur

Verhalen/12 January 2026

“In een tijdperk waarin duurzaamheid, efficiëntie en technologie de toon zetten, lijkt het streven naar schoonheid bijna verdacht. Het is alsof het een overblijfsel is uit een sentimenteel verleden, niet meer passend bij de rationele geest van onze tijd.” Lees hier het essay van collega Austin Schulte Fischedick over de herontdekking van schoonheid en over verwondering in de architectuur.

De herontdekking van schoonheid – Over verwondering in de architectuur

De vergeten waarde van schoonheid
Schoonheid is een ongemakkelijk woord geworden in de hedendaagse architectuur. In een tijdperk waarin duurzaamheid, efficiëntie en technologie de toon zetten, lijkt het streven naar schoonheid bijna verdacht. Het is alsof het een overblijfsel is uit een sentimenteel verleden, niet meer passend bij de rationele geest van onze tijd. Toch blijft schoonheid, ondanks alle pogingen haar te negeren of te vervangen door neutralere begrippen als ‘kwaliteit’ of ‘beleving’, een kracht die onverminderd werkzaam is. Zij raakt ons direct, zonder tussenkomst van taal of theorie. Een gebouw dat werkelijk mooi is, laat zich niet alleen bewonderen, maar wekt verwondering: het tilt ons even op uit het alledaagse.

Verwondering is misschien wel de meest menselijke reactie op architectuur. Zij ontstaat wanneer vorm, materiaal, licht, ruimte, geur en temperatuur samenvallen in een ervaring die ons gevoel van tijd en plaats tijdelijk opschort. In dat moment ervaren we niet enkel een gebouw, maar ook iets van onszelf, een echo van herkenning, een stilte waarin het zintuiglijke en het geestelijke elkaar raken. Deze momenten zijn zeldzaam, maar onvergetelijk. Ze herinneren ons eraan waarom architectuur meer is dan bouwen: het is het vormgeven van betekenis.

Door de eeuwen heen heeft de architectuur deze zoektocht naar betekenis vaak via schoonheid vormgegeven. Van de Griekse tempel tot de gotische kathedraal, van de renaissancistische villa tot de serene huizen van Tadao Ando, telkens weer duikt hetzelfde verlangen op: om een gebouw te maken dat meer is dan een gebruiksvoorwerp, dat de mens in verbinding brengt met iets groters. Schoonheid was daarbij geen luxe, maar een noodzaak.

Vandaag is die vanzelfsprekendheid van schoonheid als noodzaak verdwenen. De markt, de snelheid van bouwen en de digitalisering van het ontwerpproces hebben de ruimte voor verwondering verdrongen. Toch groeit het besef dat architectuur zonder schoonheid, hoe efficiënt of duurzaam ook, haar ziel verliest. Dit essay is een pleidooi voor het herontdekken van schoonheid als bron van verwondering… Niet als decoratie, maar als wezenlijk bestanddeel van betekenisvolle architectuur.

Historische perspectieven op schoonheid
Het idee van schoonheid heeft in de architectuurgeschiedenis vele gedaanten aangenomen. Wat men in de ene tijd ‘mooi’ vond, werd in de volgende als ouderwets of overdadig beschouwd. Toch valt er een rode draad te ontdekken: in elke periode werd schoonheid gezien als iets dat voortkomt uit harmonie, tussen delen en geheel, tussen mens en omgeving, tussen materie en het ongrijpbare. Zoals Willem Jan Neutelings betoogt in How reductionism cancelled beauty and other speculations, raakt die harmonie onder druk wanneer architectuur wordt gereduceerd tot louter efficiëntie en meetbare prestaties; schoonheid verdwijnt precies op het moment dat het complexe tot het eenvoudige wordt teruggebracht.

In de klassieke oudheid formuleerde Vitruvius in zijn De architectura de beroemde triade firmitas, utilitas, venustas: stevigheid, bruikbaarheid en schoonheid. Geen van deze drie kon zonder de andere bestaan. Een gebouw dat stevig en functioneel was, maar de zintuigen niet beroerde, werd als incompleet beschouwd. Venustas verwees niet enkel naar uiterlijke gratie, maar naar een innerlijke orde: een proportionele harmonie die het oog en het verstand tegelijk overtuigde.

De renaissance herontdekte dit ideaal, maar voegde er een nieuwe dimensie aan toe. Leon Battista Alberti zag schoonheid als de manifestatie van universele proporties, analoog aan het menselijk lichaam. In zijn De re aedificatoria schreef hij dat een gebouw mooi is wanneer niets kan worden toegevoegd of weggenomen zonder het geheel te schaden, een definitie die nog steeds geldt als maatstaf voor evenwicht. In de renaissance werd schoonheid zo niet enkel een kwestie van ornament, maar van intellectuele helderheid: een orde die zowel rationeel als spiritueel werd ervaren.

In de gotiek daarentegen was schoonheid niet gebaseerd op rust en harmonie, maar op beweging en licht. De gotische kathedraal was een poging om het aardse te overstijgen; zij sprak tot het gevoel eerder dan tot het verstand. Licht, hoogte, ritme, detail en symboliek werden middelen om het sublieme te ervaren, een schoonheid die de mens niet streelde, maar overweldigde.

Deze twee benaderingen, de serene harmonie van de renaissance en de emotionele verheffing van de gotiek, markeren de twee uitersten waarbinnen architectuur zich tot op vandaag beweegt: tussen orde en verrukking, tussen beheersing en verwondering.

In het modernisme keerde de aandacht zich opnieuw naar de essentie. Ornament werd overbodig verklaard; schoonheid moest voortkomen uit de waarheid van constructie en functie. Le Corbusier sprak over ineffable space, onuitsprekelijke ruimtelijkheid die ontstaat wanneer proportie, licht en materiaal tot een perfecte balans komen. Mies van der Rohe vatte het nog eenvoudiger samen: “God is in the details.” In deze visie lag schoonheid niet langer in versiering, maar in de precisie van het maken, in de zuiverheid van het denken. Toch school ook in deze rationele benadering een diep verlangen naar verwondering: de glanzende stilte van een paviljoen van glas en staal kan even transcendent zijn als het lichtspel in een kathedraal.

Het postmodernisme brak met deze universele schoonheidsidealen. Het wantrouwen jegens absolute waarheden leidde tot een pluraliteit van stijlen, ironie en spel. Schoonheid werd gedefinieerd als iets subjectiefs, cultureel bepaald en tijdelijk. Deze vrijheid bracht echter ook vervreemding met zich mee: wanneer alles mooi kan zijn, verliest schoonheid haar richting.

Tegenwoordig zien we een voorzichtige herwaardering van het zintuiglijke en het tijdloze. Architecten als Peter Zumthor, David Chipperfield en Carlo Scarpa tonen dat schoonheid nog steeds mogelijk is,  niet als formule, maar als aandachtige houding. Hun werk herinnert eraan dat verwondering niet ontstaat door spektakel, maar door precisie, stilte en tactiliteit.

Tijdloze schoonheid en context
Wat maakt een gebouw ‘tijdloos mooi’? Het is geen kwestie van stijl of mode, maar van resonantie. Tijdloze schoonheid overstijgt het moment omdat zij geworteld is in iets diepers, namelijk in de manier waarop een gebouw zich verhoudt tot zijn omgeving, zijn materiaal, zijn gebruikers en de tijd.

Architectuur is nooit een autonoom object. Zij bestaat altijd in context: in dialoog met het landschap, de stad, het licht, het klimaat, geschiedenis en de cultuur waarin zij wordt gebouwd. Een gebouw dat zijn context begrijpt, kan erin opgaan zonder zichzelf te verliezen. Het is aanwezig zonder te overheersen. Zo ontstaat een schoonheid die niet schreeuwt, maar fluistert.

Alvar Aalto verstond deze kunst als geen ander. Zijn gebouwen ademen het Finse landschap; hout, baksteen en licht smelten samen tot een menselijke maat. In zijn werk gaat schoonheid hand in hand met empathie. Ook Peter Zumthor zoekt die resonantie: in zijn Therme Vals ervaart de bezoeker niet alleen architectuur, maar ook het gewicht van steen, de geur van water, de stilte van berglucht.

Tijdloze schoonheid is dus nooit universeel in de zin van één stijl of formule. Zij is specifiek, ontstaan uit de aandachtige interpretatie van context. Ze wortelt in de plek, maar spreekt tot iedereen. Ze is de vrucht van luisteren.

Compositie, ambacht en gelaagdheid
Een gebouw dat verwondering wekt, doet dat niet door grootse gebaren, maar door de samenhang van vele kleine beslissingen. Compositie is de kunst om verhoudingen, ritmes en spanningen zo te ordenen dat het geheel vanzelfsprekend lijkt, alsof het altijd al zo moest zijn. Dat gevoel van onvermijdelijkheid is misschien wel het hoogste wat architectuur kan bereiken.

De klassieke meesters zochten die harmonie in proportie en symmetrie; moderne architecten vinden haar in structuur, materiaal en licht. In beide gevallen gaat het om een vorm van muzikaliteit: architectuur als ruimtelijke compositie, waarin stilte even belangrijk is als klank.

Maar compositie alleen is niet genoeg. Ambacht geeft architectuur haar tastbaarheid, haar geloofwaardigheid. In het handschrift van de maker, of dat nu de timmerman, de metselaar, steenhouwer of de architect zelf is, schuilt een vorm van menselijke waarheid. Carlo Scarpa liet dit zien in zijn minutieus gedetailleerde werk, waarin materialen elkaar ontmoeten met een rituele zorgvuldigheid. Ambacht betekent hier niet nostalgie, maar concentratie: de overtuiging dat schoonheid ontstaat wanneer elk detail met aandacht wordt gemaakt.

Met ambacht komt ook gelaagdheid. Een goed gebouw openbaart zich niet in één oogopslag; het nodigt uit tot verkenning, tot aanraken, tot terugkomen. Het bezit een diepte die zich pas in de tijd ontvouwt. De patina van gebruik, de verkleuring van steen, de schaduw die door de seizoenen verschuift, dit alles voegt betekenis toe. Gelaagdheid maakt schoonheid duurzaam, omdat zij niet afhankelijk is van nieuwheid, maar van beleving.

Daarmee vormt gelaagdheid ook een tegenstem tegen de vluchtigheid van het hedendaagse bouwen, waarin snelheid en beeldvorming vaak belangrijker zijn dan ervaring. Een gebouw dat gemaakt is om de tijd te doorstaan, moet de sporen van het leven kunnen dragen, zoals een gezicht mooier wordt naarmate het meer verhalen vertelt.

Zintuigelijkheid en verwondering
Schoonheid is niet enkel iets wat we zien; ze is iets wat we voelen. De architect Juhani Pallasmaa schreef dat we te veel zijn gaan vertrouwen op het oog, en te weinig op de rest van het lichaam. In The Eyes of the Skin pleit hij voor een architectuur die alle zintuigen aanspreekt, de ruwheid van steen, de geur van hout, de echo van voetstappen op een vloer, de koelte van schaduw.

In zulke ervaringen schuilt verwondering. Ze maakt ons bewust van ons eigen lichaam in de ruimte, van onze adem, van de tijd die stroomt. De mooiste gebouwen zijn niet die zich laten fotograferen, maar die men herinnert met gesloten ogen.

Peter Zumthor schrijft in Thinking Architecture dat architectuur “de kunst is van het omhullen van stilte”. Die stilte is niet leeg, maar geladen: zij laat ons iets voelen wat voorbij het materiële reikt. Wanneer een ruimte juist geproportioneerd is, het licht het oppervlak raakt, en het geluid zacht wordt gedempt, ontstaat er iets wat moeilijk te benoemen is, een aanwezigheid die ons even stil maakt. Dat is verwondering in haar zuiverste vorm: het moment waarop we beseffen dat schoonheid niet bedacht, maar gevonden is.

Conclusie: Naar een herwaardering van schoonheid
De geschiedenis leert dat schoonheid in de architectuur steeds opnieuw wordt gedefinieerd, maar nooit verdwijnt. Zij verandert van gedaante, verschuift van vorm naar ervaring, van ornament naar essentie en weer terug. Wat constant blijft, is haar vermogen om te raken, om de mens te herinneren aan zijn eigen zintuiglijke en spirituele diepte.

In onze tijd, waarin de gebouwde omgeving vaak verwordt tot beeld of product, is het herontdekken van schoonheid geen luxe, maar een noodzaak. Schoonheid verbindt ons met de wereld: met het licht, de materialen, de tijd. Zij vraagt om aandacht, voor de context, voor het ambacht, voor de mens die zal wonen, werken of dwalen in wat wij ontwerpen.

Een architectuur die verwondering wil wekken, moet zich onttrekken aan oppervlakkige expressie en zich richten op wezenlijke ervaring. Dat vraagt niet om meer spektakel, maar om meer stilte; niet om meer vorm, maar om meer inhoud.

Wanneer architectuur ons weer weet te verwonderen, herontdekken we niet alleen schoonheid, maar ook een gevoel van verbondenheid met de wereld. In die verwondering ligt misschien wel de diepste reden waarom we bouwen: om even te voelen dat we deel uitmaken van iets groters, iets wat blijft… ondanks de tijd.

- Austin Schulte Fischedick -