hero

Column De Architect

Verhalen/08 May 2026

Ontwerpen vrouwen anders dan mannen? Het is een gevaarlijke vraag, want ze verleidt meteen tot clichés. Alsof vrouwen vanzelf zachter, empathischer of menselijker zouden ontwerpen, en mannen op hun beurt monumentaler, autonomer of autoritairder. Toch is de vraag te interessant om te vermijden, omdat ze ons dwingt na te denken over de norm van architectuur.

Collega Xu Meuwissen schreef voor De Architect onderstaande column.

Mijn stelling is niet dat vrouwen biologisch andere gebouwen maken, maar dat architectuur nooit neutraal is geweest. Ze is lang gevormd vanuit een mannelijke norm, en zodra andere stemmen ontwerpen, verschuiven ook de ruimtelijke prioriteiten.

De canon die architecten leren op de universiteit of academie, is een canon van meesters, manifesten en monumenten: Le Corbusier, Mies, Wright, Kahn. Van het solitaire genie, het autonome object, het gebouw als verklaring. Architectuur gebouwd op een heel specifiek waardesysteem, waarin representatie vaak zwaarder weegt dan gebruik, en auteurschap belangrijker is dan toe-eigening.

De impliciete gebruiker
Achter veel architectuur schuilt een impliciete gebruiker: gezond, autonoom, mobiel, rationeel, ontstaan vanuit het mannelijk perspectief van wat een mens is. Maar wie zorgt? Wie wacht? Voelt zich onveilig? Beweegt met een kind, een tas of een kwetsbaar lichaam door de stad? Zoekend naar antwoorden wordt duidelijk dat ruimte niet neutraal is.

Het verschil zit dus niet in essentie, maar in positie. Niet: vrouwen zijn van nature zachter. Maar: mensen die historisch minder vanzelfsprekend het centrum vormden, lezen ruimte anders. Ze zijn scherper op uitsluiting, op gebruik, nabijheid en het alledaagse.

Niet: vrouwen zijn van nature zachter. Maar: mensen die historisch minder vanzelfsprekend het centrum vormden, lezen ruimte anders”

Als vrouwen architectuur maken, verschijnt daarom vaak niet een ‘vrouwelijke stijl’, maar een andere agenda. Minder object, meer gebruik. Minder auteurschap, meer relatie. Minder gebouw als statement, meer gebouw als drager van leven.

Le Corbusier versus Eileen Gray
Dat verschil is prachtig zichtbaar in het ontwerp van twee moderne huizen: Villa Savoye van Le Corbusier en E-1027 van Eileen Gray. Allebei modern, wit en rationeel, maar architectonisch elkaars tegenpolen.

 

Villa Savoye door Le Corbusier

Bij Le Corbusier is het huis een manifest. Villa Savoye is een didactisch object: een ruimtelijke demonstratie van principes, van orde, van een modernistische wereldvisie. De bewoner betreedt niet zomaar een huis, maar een doctrine. Het huis toont zichzelf als idee van modern wonen. 

Bij Eileen Gray gebeurt iets anders. E-1027 is minder heroïsch en preciezer afgestemd op de gebruiker. Meubilair, gebruik, licht, zee, oriëntatie en dagelijkse handelingen zijn verweven in elkaar. Het huis zegt niet: kijk naar mij. Het zegt: leef met mij.

 
E-1027 door Eileen Gray. Beeld Tim Benton

Dat is geen klein nuanceverschil, dat is een totaal andere architectonische benadering. Bij Le Corbusier is het huis een idee dat wordt bewoond. Bij Gray mag er daadwerkelijk gewoond worden, en is het idee ondergeschikt aan wonen. 

Lina Bo Bardi versus Oscar Niemeyer
Mijn tweede casus bevindt zich in Brazilië: Lina Bo Bardi’s SESC Pompéia en Oscar Niemeyers Memorial da América Latina. Beide zijn culturele projecten in São Paulo, werken met beton en claimen cultureel publiek belang, maar het zijn totaal verschillende ideeën van ruimte.

 

Memorial da America Latina door Oscar Niemeyer

Bij Niemeyer is cultuur een representatief gebaar. Het Memorial is monumentaal, ceremonieel en symbolisch. Grote leegtes, expressieve vormen, architectuur als nationaal en cultureel teken. Het publiek verschijnt hier vooral als abstract collectief, als iets dat door architectuur verbeeld moet worden.

Bij Bo Bardi is cultuur niet representatie, maar toe-eigening. Toen zij de oude fabriek bezocht, was die al informeel in gebruik door buurtbewoners. Haar architectuur vertrekt dus niet vanuit leegte, maar vanuit bestaand sociaal leven. SESC Pompéia is geen cultureel monument voor het publiek, maar een culturele ruimte van het publiek. Geen verbeelding van collectiviteit, maar een kader waarin collectiviteit werkelijk kan plaatsvinden: in spel, frictie, ontmoeting en dagelijks gebruik.

 

Interieur SESC Pompeia door Lina Bo Bardi

Ook hier is het verschil niet formeel, maar fundamenteel. Niemeyer maakt een monument voor cultuur en publiek. Bo Bardi maakt een ruimte voor cultuur en publiek.

Frank Lloyd Wright versus Kazuyo Sejima
De derde vergelijking gaat over musea. Het zijn publieke gebouwen, maar architectonisch tonen ze vaak heel verschillende vormen. De vergelijking tussen Frank Lloyd Wrights Guggenheim in New York en Kazuyo Sejima’s 21st Century Museum in Kanazawa maakt dit scherp zichtbaar.

  

Guggenheim Museum door Frank Lloyd Wright

 

Zo is een bezoek aan het Guggenheim is compleet geregisseerd. Wright organiseert het als één continue ervaring: omhoog met de lift, dan afdalen langs de spiraalhelling. Je beweegt niet vrij door een veld van mogelijkheden; je wordt opgenomen in één sterk auteursgebaar. Het museum is hier vormgegeven als een uitzonderlijke sequentie, volledig gecomponeerd.

Bij Sejima verschuift dat fundamenteel. Het museum in Kanazawa heeft geen hoofdingang en is juist van alle kanten benaderbaar. Daardoor wordt het museum geen gesloten culturele machine, maar een stedelijk veld van vrije toegang. Waar Wright het museum als een uitzonderlijke route ontwerpt, maakt Sejima het museum tot een publiek landschap.

 

 21st Century Museum Kanazawa door Kazuyo Sejima

 

Verschuiving van prioriteiten
Als ik deze drie vergelijkingen naast elkaar leg, zie ik geen vrouwelijke stijl. Ik zie een verschuiving van prioriteiten. Van doctrine naar bewoning. Van representatie naar toe-eigening. Van geregisseerde ervaring naar meervoudige toegang. 

Natuurlijk is dit geen absolute scheidslijn. Zo laat Herman Hertzberger juist zien dat ook mannelijke architecten radicaal vanuit gebruik, ontmoeting en toe-eigening kunnen denken. En Zaha Hadid bewijst omgekeerd dat vrouwelijke architecten net zo goed iconen kunnen maken. 

Mijn punt is dat deze drie vergelijkingen zichtbaar maken hoe andere posities in de discipline andere architectonische prioriteiten kunnen blootleggen.

Ontwerpen vanuit het leven
Dus nee: vrouwen ontwerpen niet per definitie zachter, vriendelijker of mooier. In bovenstaande voorbeelden ontwerpen zij vanuit het leven dat zich in en rondom dat object afspeelt. Niet vanuit het object als autoriteit. Ze maken niet minder architectuur, maar architectuur die de vraag stelt: voor wie is deze ruimte gemaakt?

En daarmee kom ik terug bij mijn beginvraag. Ontwerpen vrouwen anders dan mannen? Misschien is de betere formulering: wanneer vrouwen ontwerpen, wordt zichtbaar hoe mannelijk de norm van architectuur is. En precies daarom zijn deze gebouwen zo interessant: niet omdat ze vrouwelijk zijn, maar omdat ze de discipline dwingen zichzelf opnieuw te meten.

Wanneer vrouwen ontwerpen, wordt zichtbaar hoe mannelijk de norm van architectuur is”

Want zodra andere stemmen ontwerpen - andere lichamen, andere culturele achtergronden, andere geloofservaringen, andere vormen van afhankelijkheid of uitsluiting - wordt zichtbaar hoeveel architectuur nog altijd veronderstelt.

Architectuur weerspiegelt niet alleen de samenleving; ze organiseert haar. En als architectuur werkelijk een pluriforme samenleving wil huisvesten, dan kan de discipline het zich niet veroorloven om ruimte steeds opnieuw te laten bedenken vanuit één smalle groep ervaringen.

Bronnen
Villa Savoye door Le Corbusier: ArchDaily, Flickr User: End User
E-1027 door Eileen Gray: Tim Benton, Mary Gaudin
Memorial da America Latina door Oscar Niemeyer: Wikipedia
Interieur SESC Pompeia door Lina Bo Bardi:
HicArquitectura.com
Guggenheim Museum door Frank Lloyd Wright:
Arquitecturaviva.com Ezra Stoller, Guggenheid foundation
21st Century Museum Kanazawa door Kazuyo Sejima:
Arquitecturaviva.com Shinkenchiku Sha